Er is weer werk aan de wetenschap. NEMO-bezoekers kunnen deze herfstvakantie meedoen aan een nieuw onderzoek in het Science Live lab. Dit keer onderzoeken Delftse wetenschappers hoe je beleving tijdens het spelen kan meten. Voorzien van iPod’s en iPad’s proberen bezoekers uit te drukken hoe ze een bezoek aan NEMO ervaren. Er is weer genoeg te beleven!

We komen vaak niet verder dan dat we een bezoekje aan een museum ‘leuk’ vonden. Of niet leuk natuurlijk. Maar waarom is het wel of niet leuk, waar ligt dat aan? “Het is vaak moeilijk om precies uit te drukken hoe je iets hebt ervaren”, zegt wetenschapper MarcoRozendaal, van de Technische Universiteit Delft. Samen met collega Arnold Vermeerenonderzoekt hij daarom hoe je die beleving uit kan drukken in beelden, getallen en woorden.

De beleving van spelen

Lekker buiten spelen of met vrienden afspreken: dat doen de meeste kinderen veel te weinig. Volwassenen trouwens ook. Ze zitten liever binnen achter hun computer of televisie– en we weten dat te weinig bewegen ongezond is. Om die mensen weer aan het spelen te krijgen doet Marco Rozendaal, in samenwerking met het onderzoeksteam van Tilde Bekkervan de Technische Universiteit Eindhoven, onderzoek naar hoe we spelen beleven. “Als we dat weten, kunnen we die informatie gebruiken om mensen te stimuleren meer aan actieve en sociale activiteiten mee te doen”, zegt Rozendaal.

Om beleving te meten richten de onderzoekers zich in Science Live speciaal op de interactie die kinderen hebben met de speelomgeving. Marco Rozendaal legt uit: “Een spel kan bijvoorbeeld heel lichamelijk zijn, zoals voetbal, maar er zijn ook spellen die meer van je hersenen vragen, bijvoorbeeld als je je moet inleven in een rol. Verder kan een spel actief zijn, waarbij je zelf veel initiatief moet tonen, of passief, als je zelf niet zoveel hoeft te doen maar alles over je heen laat komen. En dan kan je ook nog alleen spelen of in een groep.”

De onderzoekers willen dus eigenlijk weten wat spelen motiverend maakt voor kinderen, en hoe ze die beleving kunnen meten. En wat is daarvoor een betere plek dan wetenschapsmuseum NEMO?

Op stap met een iPod

Om hun beleving van NEMO te meten, krijgen bezoekers eerst een aantal foto’s te zien op een iPad. Marco Rozendaal laat een foto zien van een auto die total loss is, en zo te zien tegen een boom op is geklapt. “Eerst beschrijft de deelnemer zijn gevoel door onder de foto wat woorden te typen. Daarna vragen we hem om het gedeelte van de foto te omcirkelen dat dat gevoel oproept.” In het tweede deel van het experiment gaan de deelnemers zelf in NEMO op pad met een iPod. Ze krijgen ondertussen berichtjes van de onderzoekers met de opdracht foto’s te maken en hun gevoel erbij te beschrijven.

Soms neemt Rozendaal alvast een kijkje in de resultaten. “Hier heb ik bijvoorbeeld een foto van iemand die zijn lunch fotografeerde en daar als gevoel ‘lekker’ bij schreef.” Maar niet iedereen heeft leuke ervaringen gefotografeerd. Een andere deelnemer maakte een foto toen hij in de rij stond te wachten voor een NEMO-activiteit. Hoe hij dat gevoel omschreef? ‘Kut’.

Vernieuwende spelletjes

Dat is ook nuttige informatie voor de wetenschappers. “Het kan dat deelnemers iets in de speelomgeving van NEMO niet leuk vinden, en dat is niet erg. We onderzoeken de beleving, dus we willen ook weten als iets niet leuk is, en waarom dat dan zo is”, zegt Rozendaal. Als na afloop van de herfstvakantie alle gegevens binnen zijn, zal blijken of het is gelukt de beleving van bezoekers te meten, en weten we hoe deelnemers een dagje NEMO hebben ervaren. “Maar ik kan nu jammer genoeg nog niks zeggen over de uitkomst, het is nog te vroeg om conclusies te trekken.”

Rozendaal hoopt in ieder geval dat ze met de informatie die het onderzoek oplevert, nieuwe speelomgevingen en spelletjes zo kunnen ontwerpen dat het kinderen motiveert actief en sociaal te gaan spelen. “Het zou mooi zijn als we de speelomgeving op ieder kind kunnen laten aansluiten.” Het is nu wachten tot februari: dan worden de eerste resultaten van het Science Live onderzoek bekend gemaakt.

Deze reportage verscheen 21 oktober 2011 op Kennislink

Reageer