Geen wiskundige formule die zo bekend en verankerd is in de dagelijkse praktijk als de Body Mass Index. Maar er zijn veel betere meetinstrumenten om overgewicht en de bijbehorende risico’s vast te stellen. Waarom blijft de BMI zo’n populaire maat? En gaat dat ooit veranderen?

Of het nou op de sportschool is, bij de huisarts, in het ziekenhuis of online: we hebben bijna allemaal wel een keer te maken gehad met de Body Mass Index (BMI). BMI, het gewicht in kilogram gedeeld door de lengte in meters in het kwadraat, is de populairste en meest gebruikte maat om te helpen beoordelen of iemand te zwaar is. En daarmee het risico in te schatten op obesitas ziektes zoals hoge bloeddruk, diabetes en hart- en vaatziekten.

BMI is overal

De BMI is niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Alle internationale onderzoekers en artsen hebben ingestemd met het gebruik ervan. En dat gebeurt op grote schaal. Daarnaast kan iedereen die dat wil zelf zijn BMI berekenen op websites of via mobiele applicaties. Dat gaat snel en makkelijk: vul je gewicht en lengte in en er rolt een getal uit de formule dat in één klap duidelijk maakt hoe het met jouw gewicht gesteld is. De uitkomst is onderverdeeld in vier categorieën: een BMI lager dan 18.5 betekent ondergewicht, tussen de 18.5 en 25 zit je goed en tussen de 25 en 30 betekent overgewicht. Is de BMI hoger dan 30? Dan kom je uit op ernstig overgewicht, oftewel obesitas.

Adolphe Quetelet

De Body Mass Index is een formule die bijna 200 jaar geleden is bedacht door de Belgische wiskundige Adolphe Quetelet, vandaar ook wel de naam Queteletindex. Quetelet ontwikkelde de index als hulpmiddel om het gewicht van de bevolking in te delen gebaseerd op het ideale gewicht voor hun lengte. Zijn formule kg/m2 stamt uit een tijd waarin er nog geen rekenmachines of computers waren en is misschien daarom zo simpel. Quetelet wist in 1830 ook zelf dat zijn formule niet perfect was.

Lekker duidelijk. Maar bij vooral medisch wetenschappers raakt de vetmaat uit de gratie. Reden? Het is veel te simpel om te zeggen dat mensen met een hoog BMI allerlei gezondheidsrisico’s lopen. Iemand met de nodige extra kilo’s die gezond eet en veel beweegt is vaak een stuk gezonder dan een slanke bankhanger die de ene na de andere zak chips naar binnen schuift. Waarom blijven we dan toch zo vasthouden aan die maat?

Tailleomvang

Om die vraag te beantwoorden is het belangrijk een onderscheid te maken tussen BMI puur als indicatie voor overgewicht en BMI als maat voor de gezondheidsrisico’s die met overgewicht gepaard gaan. “De BMI is een goed bewezen en reproduceerbare maat voor overgewicht”, zegt Frank Visseren, professor Vasculaire Geneeskunde van de Universiteit Utrecht. “Afgezien van enkele extremen zoals bodybuilders die zwaar zijn door hun spieren, is een BMI boven de dertig toch een aardige graadmeter dat je te veel vet hebt.”

En dat is het ook, een eerste graadmeter. Meer niet. De BMI is een goede maat voor overgewicht, alleen hangt hij niet zo goed samen met de gevolgen van het gewicht. De manier waarop het vet over je lichaam is verdeelt, zegt veel meer over je gezondheid dan de totale hoeveelheid vet. “Buikvet is het vet dat risico geeft op diabetes, vaatziekten, kanker en trombose”, legt Visseren uit. Maar waar het vet zich in een lichaam bevindt komt niet uit de BMI naar voren. Daarom is de tailleomvang een vaak geopperde maat om de gezondheidsrisico’s van het gewicht in te schatten. Daarmee pluk je degenen met het schadelijke buikvet er zo uit.

BMI in de wet

Vorig jaar nam Israël een wet aan waarin staat dat modellen met een BMI lager dan 18.5 niet over de catwalk of voor de camera mogen. Deze wet moet voorkomen dat jonge meisjes op te dunne modellen willen lijken en anorexia krijgen. Op de wet kwam kritiek, zonder resultaat overigens, omdat de gezondheid van de modellen niet in het verhaal wordt betrokken. Want net zoals dikke mensen niet automatisch ongezond zijn, geldt dat ook voor dunnerds.

Huidplooidikte

Naast het meten van de tailleomvang wordt de huidplooidikte ook wel als alternatief meetinstrument voor BMI genoemd. Artsen meten dan met een tang op een paar plaatsen van het lichaam de dikte van je huidplooi. De huidplooidikte is een nauwkeurige aanwijzing voor de hoeveelheid onderhuids vet, wat op zijn beurt weer het totale percentage lichaamsvet voorspelt. Uit een studie van de Vrije Universiteit Amsterdam uit 2007 bleek de huidplooidikte bij pubers een betere voorspeller voor obesitas op latere leeftijd dan de BMI. Maar volgens Visseren is ook deze maat niet ideaal. “De hoeveelheid buikvet is veel belangrijker om te weten dan de hoeveelheid onderhuids vet”.

Thuis meten

Buikvet en tailleomvang. Dat zijn de sleutelwoorden als het gaat om het meten van overgewicht. Maar voor mensen thuis blijft de BMI de eenvoudigste manier om een beeld te krijgen van hun gewicht. Je BMI berekenen is makkelijk, gratis en het geeft houvast. Je tailleomvang thuis meten? Dat klinkt simpel maar is voor ongeoefenden nog een hele opgave. Voor een betrouwbare meting is het van belang precies op de juiste plek onder de ribben een streepje te zetten en er vervolgens een meetlint bij te pakken. En dan niet smokkelen en je buik inhouden.

De BMI-meters zullen voorlopig niet verdwijnen van websites als die van het Voedingscentrum en de Hartstichting. Op zich geen probleem, zolang mensen maar in gedachten houden dat het BMI niet heilig is en dat hun persoonlijke situatie ook meetelt in wat een optimaal gewicht is. Een individuele benadering dus. “Er zijn bijvoorbeeld patiënten met hartfalen voor wie bewezen is dat een hoger gewicht beter is”, licht Visseren toe.

BMI van de troon gestoten

Het is moeilijk concurreren met de impact die de BMI al jarenlang heeft. We leven in een wereld waar deze universele maat nog elke dag ontzettend veel toepassing vindt. En ondanks de tekortkomingen gebruiken grote instanties zoals de Wereldgezondheidsorganisatie de BMI ook nog steeds als gouden standaard. Willen we op een andere vetmaat overstappen dan moeten alle boeken en richtlijnen herschreven gaan worden.

Zit de BMI te vast geroest in de maatschappij om nog over te gaan op een andere vetmaat? Visseren denkt van niet. “Stel je voor dat we in Nederland ineens op Engelse miles moeten overgaan terwijl we denken in kilometers. Er is tijd voor nodig, maar het kan wel.” We bevinden ons nu in de overgangsfase waarbij het wetenschappelijk bewijs voor het gebruik van de BMI uit het verleden goed kan bestaan naast het relatief nieuwe meten van de tailleomvang. In de onderzoeksgroep van Visseren is de BMI ook nog niet volledig verbannen. Maar de maat is wel steeds minder in gebruik doordat buikvet meten wint aan populariteit.

Tien jaar wachten

Over de jaren zal steeds duidelijk worden dat hoeveelheid buikvet een betere indicator is voor de gevolgen van overgewicht. De tailleomvang is in 2011 bijvoorbeeld al verschenen in de herziening van de richtlijn ‘Cardiovasculair Risicomanagement’ – waarin staat hoe patiënten met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten het best kunnen worden opgespoord. Die verandering gaat doorzetten, voorspelt Visseren. “Over een jaar of tien meten we alleen nog tailleomvang.”

Dit achtergrondartikel verscheen 28 juni 2013 op Kennislink

Reageer