De kwaliteit van Chinese universiteiten wordt steeds beter. Dat zeggen de Utrechtse wiskundige Eduard Looijenga en de Chinees-Amerikaanse Fields-medaille winnaar Shing-Tung Yau. Daardoor wordt het voor westerse studenten en wetenschappers steeds aantrekkelijker om naar China af te reizen.

De professoren Shing-Tung Yau en Eduard Looijenga werken sinds enkele jaren vrij intensief samen. In 2009 nam Looijenga op uitnodiging van Yau zitting in de wetenschapscommissie van het instituut dat de Chinees destijds oprichtte in Tsinghua. Yau kwam vorige week naar Utrecht als één van de sprekers op het afscheidscongres van Looijenga die met emeritaat ging. In een dubbelinterview geven Yau en Looijenga hun visie op de rol en ontwikkeling van de Chinese universiteiten. Yau: “Lokale overheden hebben nu meer geld waarmee universiteiten buitenlands talent kunnen uitnodigen.”

Wetenschap van wereldklasse

Europa en de VS zijn altijd populair geweest bij Chinese studenten en onderzoekers. Daar is professor Shing-Tung Yau, internationaal beroemd door zijn uitvinding van wiskundige structuren genaamd Calabi-Yau-ruimten zelf het beste voorbeeld van. Opgegroeid en gestudeerd in Hong Kong, vertrok Yau naar de VS om een carrière als wiskundig onderzoeker na te streven. “In die tijd was er niets voor mij in Hong Kong.” Maar de tijden zijn veranderd. De kwaliteit van Chinese universiteiten en onderzoeksinstituten zit dusdanig in de lift dat zij getalenteerde wetenschappers beginnen aan te trekken.

Aan die ontwikkeling heeft Yau persoonlijk bijgedragen. Wat hij voor ogen heeft voor zijn geboorteland is wetenschap van wereldklasse. Al ruim 30 jaar gaat Yau regelmatig naar China om studenten te onderwijzen en te inspireren. En daar heeft zijn status hem gaandeweg bij geholpen. In 1982 won hij als eerste Chinese onderzoeker de Fields-medaille – het wiskundige equivalent van de Nobelprijs.

Yau: “Ik wil het vasteland van China helpen. In 1979 kwam ik voor het eerst vanuit de VS naar China om studenten aan te moedigen de wiskunde in te gaan. Ik schreef essays over wiskunde voor leken en organiseerde competities voor middelbare scholieren en studenten.” Daarnaast zette hij drie wiskundige onderzoeksinstituten op, onder meer in Beijing. “Dat kostte tijd en heel veel moeite omdat er, tot aan een jaar of 10 geleden, bijna geen financiering was vanuit de overheid.”

In Yau’s wiskundige centra leren Chinese studenten de fundamenten van het vak als voorbereiding op hun opleiding in het buitenland. Veel van hen komen daarna weer terug naar China. Daarnaast is het budget van veel Chinese universiteiten sinds het jaar 2000 ook groot genoeg om buitenlandse wetenschappers uit te nodigen. Het talent stroomt binnen.

Blijf niet op één plek hangen

Yau’s Utrechtse collega Eduard Looijenga, die onlangs afscheid nam als professor van het Mathematisch Instituut in Utrecht, werkte 5 maanden aan de Tsinghua Universiteit in Beijing. Eén van de beste universiteiten van het land, waar hij cursussen gaf aan studenten en promovendi. Wat is in zijn ogen nu de beste plek om wiskunde te studeren, Nederland of China? Looijenga: “Het is altijd goed voor studenten om niet op één plek te blijven als ze ambities hebben om onderzoek te doen. Dus ik zou zeggen doe het allebei.”

Daar is Yau het mee eens. “Op Harvard waar ik nog steeds les geef, probeerden we lange tijd de bachelorstudenten bij ons te houden. Maar we weten nu dat het beter voor hen is om naar andere universiteiten te gaan. Dus ik denk dat het goed is dat studenten opgeleid worden in China en dan naar Nederland komen voor onderzoek en vice versa.

Looijenga: “Maar daarnaast denk ik wel dat China absoluut het momentum heeft. In ons onderzoeksveld zitten de grote wetenschappelijke centra in Boston en de westkust van de VS. Maar Beijing is in opkomst. En Nederland kan daar niet mee concurreren.”

China begint dus aardig mee te spelen op het terrein van wetenschap en technologie. Maar de internationale rol van de Chinese onderzoeksinstituten kan volgens Yau nog veel sterker worden. “De regering wil wetenschap nu meteen kunnen vertalen naar technologie die de markt op kan. Dat is belangrijk, maar we moeten ook de basis versterken. De regering moet het belang van fundamentele wetenschap gaan begrijpen en dat probeer ik hen duidelijk te maken.”

Investering

Desondanks is de houding van de Chinese politiek tegenover wetenschap een stuk positiever dan die in Nederland. Zoals het Financieele Dagblad onlangs meldde wil het ministerie van OCW de financiering van wetenschappelijke samenwerking tussen China en Nederland stopzetten. Terwijl in 2012 het belang van deze samenwerking nog hoog op de agenda stond. Looijenga: “De politici geven geen duidelijke signalen waar ze heen willen met Nederland. Vijftien jaar geleden vonden de politiek en industrie dat onderzoek te duur is en dat technologie beter geïmporteerd kan worden. Vreemd, voor een ontwikkeld land als het onze. Nu erkennen ze dat dat geen goed idee was, maar wat ze wel willen is onduidelijk.”

In China heeft de regering wel een duidelijk doel voor ogen. Looijenga: “Bij de opening van Yau’s instituut 2,5 jaar geleden, sprak de Chinese minister van Organisatie Li Yuanchao over de visie van de regering. Hij zei dat de enorme hoeveelheid geld die China de afgelopen decennia heeft verdiend wijs uitgegeven moet worden, zodat het land ook in de toekomst zal bloeien. Hij wil dat bereiken door een langetermijninvestering in technologie en onderwijs. Dat is de boodschap die ik ook graag van mijn eigen land zou horen.”

Dit interview verscheen 4 juli 2013 op Digitaal Universiteitsblad DUB

Reageer