4865461878_f5cf71b0ae_oDoor uitbreiding van de steden komt de natuur in de verdrukking. Maar je kunt de stad ook zien als een groeiend natuurgebied met een eigen ecosysteem, zeggen stadsecologen. Kennislink ging met Bureau Stadsnatuur op pad om die natuur te verkennen.

Wat een geluk. Het is één van de eerste zonnige dagen van het jaar als wij André de Baerdemaeker van Bureau Stadsnatuur ontmoeten voor een wandeling door de havenstad. Vandaag gaan we de wildernis van de stad ontdekken.

Ons vertrekpunt is Het Natuurhistorisch in Rotterdam, waarvan Bureau Stadsnatuur de onderzoekstak is. We zijn nog geen tien stappen op weg of De Baerdemaeker wijst ons op twee slechtvalken die rond het Erasmus MC cirkelen. In Rotterdam leven nu vijf à zes koppels. De paartjes maken hun nest achter de grote letters op het gebouw. Begin 2000 zagen hij en zijn collega´s de roofvogels voor het eerst, vertelt De Baerdemaeker. “Ze zijn vanuit de Maasvlakte naar de binnenstad getrokken. Hier staan ze bekend als duivenjagers en kraaienpesters.”

In de verdrukking

De stadsecologen van Bureau Stadsnatuur houden nauwkeurig bij welke flora en fauna zich in Rotterdam laten zien. Alle gegevens gaan in een database. Wetenschap die zich bezighoudt met de stadshabitat wordt steeds urgenter, schrijft bioloog Jelle Reumer, voormalig directeur van Het Natuurhistorisch, in zijn boek Wildpark Rotterdam: de stad als natuurgebied.

Deskundigen schatten dat in 2050 zeventig procent van de wereldbevolking in steden woont. Planten en dieren komen in de verdrukking doordat steden blijven uitbreiden en zoeken nieuwe leefruimte. In landen als India worden dorpelingen regelmatig opgeschrikt door een verdwaald luipaard of een verdwaasde olifant. Ook in Nederland worden dieren uit natuurgebieden ineens in steden gespot. Vorige zomer zwom er nog een zeehond in de Utrechtse grachten.

Minder spectaculair

Is de stad een bedreiging voor de natuur? Of kan de stad ook ruimte bieden aan de groei van natuur? Reumer vraagt het zich terecht af in Wildpark Rotterdam. Het antwoord is niet eenduidig, en hangt in eerste instantie af van hoe we natuur opvatten. Oorspronkelijke natuur waar de mens geen invloed op heeft gehad – bijvoorbeeld door soorten te introduceren – bestaat nauwelijks meer in Nederland. Stadsecologen werken met een definitie waarin door de mens verspreide dieren en planten, die op eigen kracht tot ontkieming en voortplanting komen, tot natuur behoren. De bloembakken in het park kan je er daarom ook toe rekenen.

“Mensen denken bij natuur aan gebieden als de Oostvaardersplassen”, legt De Baerdemaeker uit terwijl wij onze tocht vervolgen. “Maar je zou een polletje gras tussen de stoeptegels als natuurlijker kunnen zien dan de geïntroduceerde paarden in de Oostvaardersplassen.” Het gras koos zelf zijn leefruimte. “Planten en dieren kunnen hier hun eigen keuzes maken,” vertelt onze gids. “Stadsnatuur is misschien minder spectaculair maar niet minderwaardig.”

Al pratend stuiten we in het museumpark op een paar felgroene halsbandparkieten. Hier hebben we een exoot te pakken, een soort die van oorsprong niet in Nederland voorkomt. De tropische vogeltjes ontsnappen geregeld uit huiskamerkooitjes. Ze overleven het niet allemaal. Dit Rotterdamse groepje daarentegen weet zich prima te handhaven in het wild.

Honderd meter verderop zien we nog een exoot, de stijlvol uitgedoste nijlgans. Er zitten er twee in de vijver voor het Nieuwe Instituut, een museum voor architectuur en design. Bewoners van de stad zijn minder blij met de parmantige eenden, weet De Baerdemaeker. “Ze zijn nogal luidruchtig.”

Plastic nest

Rotterdam blijkt doorspekt met natuurschoon. Maar wat het unieke ecosysteem van de stad echt interessant maakt, is de rol van de mens, volgens De Baerdemaeker. Voor planten en dieren bieden menselijke activiteiten nieuwe mogelijkheden. Neem meerkoeten. De watervogels wenden teenslippers en ander plastic aan voor de bouw van een nest. Riet of plastic: het is de meerkoet om het even.

En stadsduiven leven op een dieet van rondslingerende restjes brood, patat en ander voedsel. Daar zijn we gedurende onze wandeling meerdere keren getuige van. “Die dikke patatduif is in mijn ogen de meest aan het stadsleven aangepaste soort”, grapt De Baerdemaeker.

De scholekster doet het ook goed in de stad. Tegenwoordig zelfs beter dan in het weiland. Ze leggen hun eitjes op platte daken met kiezelstenen waar ze gecamoufleerd zijn voor roofvogels. Met nieuwe slimmigheden weet de natuur zich prima aan te passen aan de omstandigheden.

Zingen met hogere tonen

Toch roept een fenomeen als de patatduif vragen op. Wat doet het stedelijke milieu eigenlijk met de evolutie van planten en dieren? Dat vragen we later aan Kamiel Spoelstra, ecoloog verbonden aan het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO). “Zodra er natuurlijke selectie plaatsvindt, waarbij sommige individuen een overlevingsvoordeel hebben ten opzichte van anderen, is er sprake van evolutie”, legt hij uit. “De ene keer gaat dat snel, de andere keer langzaam. Dat is in de stad niet anders dan op het platteland.”

Wat wel anders is, is dat de hele omgeving waarin evolutie zich voltrekt, niet los te zien is van menselijk handelen. De stad is immers een menselijke creatie.

Een soort die het stadsleven uitstekend naar zijn hand heeft weten te zetten is de merel. Nog geen 150 jaar geleden was de merel nog een bosvogel, die zich zelden in de stad waagde. In de eerste helft van de 19e eeuw begon de vogel zich in Duitse steden te vestigen. Dat patroon verspreidde zich over andere Europese steden.

“De vogel heeft zich inmiddels goed aangepast”, zegt Spoelstra. Stadsmerels zingen met hogere tonen, om het verkeer te overstemmen. Vanwege de overvloed aan eten, trekken ze er in de winters niet meer op uit en ze hebben minder stress. De dikke stadskat is nauwelijks een bedreiging te noemen. Spoelstra: “We zien dat merels in de stad al niet meer mengen met merels buiten de stad. Als ze dat maar lang genoeg, en heel strikt volhouden, dan is er op een gegeven moment sprake van een andere soort.”

Moestuin en bijen

De soortendiversiteit in de stad zal de komende jaren verder toenemen. Tenminste, dat verwacht De Baerdemaeker. Nadat bomen en ander groen de vorige eeuw angstvallig buiten de deur werden gehouden, willen stedelingen het nu weer terug. We willen massaal een moestuin; de enthousiasteling houdt zijn eigen bijen. De Baerdemaeker: “Je ziet soorten een comeback maken. Van de wilde eend en de huismus dachten we dat ze helemaal zouden verdwijnen, maar die hebben zich toch weer opgewerkt.”

Gemeenten springen in op die duurzaamheidsgedachte. Zo is Amsterdam begonnen met de aanleg van ‘groene aderen’: stroken groen die stukjes natuur met elkaar verbinden, zodat de grondgebonden soorten zich makkelijker door de stad kunnen verplaatsen. In Groningen loopt regelmatig een kudde van 300 schapen door de stad om de berm kort te houden.

Hardnekkige berenklauw

We passeren nog een moedereend met kuikens in de haven. Dan zit onze ontdekkingstocht er na anderhalf uur struinen door de Rotterdamse wildernis bijna op. Stad en natuur hoeven elkaar niet uit te sluiten, besluiten we. We zagen gierzwaluwen die nestelen in spleten van winkelgevels, tongvarens die tussen de stenen van buitenmuren groeien, en een eend met haar kuikens manoeuvrerend tussen de bootjes en de kade.

Onze laatste stop is is een net gezaaid stuk grond. Duidelijk, dit moet straks een strak gazon worden. Tot nu toe heeft alleen berenklauw, een plant die brandwonden kan veroorzaken, zich door de aarde omhoog weten te werken. “Die exotische plant is een ergernis die we met man en macht proberen uit te roeien. Maar ja…”, besluit De Baerdemaeker. “Onkruid is evengoed natuur.”

Credits afbeelding: Flickr/3dpete via CC BY-ND 2.0

Deze reportage verscheen 6 mei op NEMO Kennislink (in samenwerking met Anne van Kessel)

Reageer