Rainbow_flag_and_blue_skiesHomoseksualiteit is aangeboren. Die conclusie rolde uit de grootste studie ooit naar de link tussen DNA en seksuele oriëntatie in mannen. In hoeverre weten we nu hoe seksuele oriëntatie tot stand komt?

Het bewijs dat homoseksualiteit geen keuze in levensstijl is, stapelde zich in de loop der jaren op. In 1993 was moleculair bioloog Dean Hamer de eerste die een link aantoonde tussen een klein stukje DNA op het X-chromosoom en seksuele oriëntatie. In mannen althans, hoe de seksuele voorkeur in het DNA van vrouwen verankerd ligt, is weinig onderzocht. Omdat Hamer’s studie zich baseerde op slechts 38 paren homoseksuele broers, was het bewijs statistisch gezien niet waterdicht. Daarnaast hadden andere wetenschappers moeite de vondst te reproduceren. Maar Hamer kreeg onlangs zijn revanche. Zijn bevinding is nu in een veel grotere studie bevestigd door psychiater Alan Sanders van de NorthShore University (VS), die zijn eigen resultaten deze maand publiceerde in het tijdschrift Psychological Medicine.

Homogenen bestaan niet
Sanders nam het DNA van 409 paren homobroers onder de loep. De enige eigenschap die alle 818 mannen gemeen hadden, was hun homoseksualiteit. Alle mannen leverde bloed of speeksel waar de onderzoekers DNA uit haalden. Vervolgens keken ze of de broers bepaalde delen van hun genoom vaker met elkaar delen dan je gemiddeld bij twee broers zou verwachten. Een al eens eerder gevonden gebiedje op chromosoom 8 sprong eruit, evenals het gebiedje op het X-chromosoom dat Hamer twintig jaar eerder al identificeerde.

Veel nieuws heeft Sanders dus niet ontdekt. Wel is het bewijs dat homoseksualiteit is aangeboren sterker dan ooit. Zijn er nu twee ‘homogenen’ gevonden? Nee, met deze verouderde techniek vond Sanders alleen gebiedjes in het DNA die samenhangen met homoseksualiteit, geen specifieke genen. “Het gaat om gebieden van 20 tot 40 miljoen basenparen waarin tientallen tot honderden genen kunnen zitten”, legt Sanders uit op een podcast van de Britse krant The Guardian. Hij is bezig het onderzoek te herhalen met een geavanceerdere techniek, waarmee veel preciezer betrokken genen zijn aan te wijzen.

Voor de goede orde, volgens onderzoekers bestaat er überhaupt niet zoiets als ‘homogenen’. “Het zijn genen voor heteroseksualiteit”, zegt moleculair geneticus Sven Bocklandt, die onder andere onderzoek deed naar homoseksualiteit in de onderzoeksgroep van Hamer. Hij vergelijkt homoseksualiteit graag met linkshandigheid. “De theorie is dat wij genen hebben die rechtshandig maken, om welke reden dan ook.

Toch zijn er ook linkshandige mensen. Dat kan gebeuren als de genen voor rechtshandigheid niet werken, dat moeten je hersenen willekeurig een kant kiezen. Volgens Bocklandt zou dat bij seksuele oriëntatie net zo kunnen gaan. Als de genen voor heteroseksualiteit om de een of andere reden niet goed werken, dan zouden de hersenen zich in een willekeurige richting ontwikkelen: homo, hetero of bi. “Het is maar een idee”, benadrukt hij. “Er is geen bewijs voor.”

Biologische omgeving
De genetische make-up is niet de enige speler in het verhaal. Wetenschappers schatten dat de rol van DNA bij het krijgen van een bepaalde seksuele oriëntatie op 30 tot 50%. Die percentages komen naar voren uit studies met eeneiige tweelingen. Broers die uit dezelfde bevruchte eicel zijn ontstaan delen hun genen. Toch komt het vaak voor dat de ene broer homo is en de ander niet. Blijkbaar zijn er invloeden vanuit de omgeving die bijdragen aan iemands voorkeur voor mannen of vrouwen. “Dan hebben we het niet over de gedeelde omgeving, zoals opvoeding”, zegt Bocklandt. “De relatie met je ouders heeft er bijvoorbeeld niks mee te maken. Vanuit de epidemiologie zijn er heel veel studies geweest, maar nooit zijn dit soort omgevingsfactoren naar boven gekomen.”

Wel van invloed is iemands unieke omgeving, in biologisch opzicht. Een voorbeeld. Er zijn sterke aanwijzingen dat de kans op homoseksualiteit bij mannen toeneemt naarmate hij meer oudere, biologische broers heeft. Een theorie daarachter is dat de moeder een afweerreactie ontwikkelt tegen specifieke mannelijke antistoffen. Bij elke zwangerschap wordt die reactie heftiger. Het kan zijn dat die afweerreactie invloed heeft op de delen van het brein die belangrijk zijn bij het ontwikkelen van seksuele oriëntatie van de foetus.

Volgens Bocklandt zijn het naast genen dit soort biologische effecten die, voor de geboorte, een rol spelen bij het tot stand komen van homo- of heteroseksualiteit. Wat inderdaad zou betekenen dat het een volledig aangeboren eigenschap is. Bocklandt: “Het biologische mechanisme voor heteroseksualiteit is zo fundamenteel en geconserveerd in het dierenrijk dat niemand twijfelt dat het is aangeboren.

Embryo’s testen
Onderzoek naar de ontwikkeling van seksuele oriëntatie veroorzaakt vaak opschudding. In eerste instantie rondom het keuze-debat. Sommige mensen zien homoseksualiteit nog altijd als een, moreel onacceptabele, keuze of psychische stoornis. Het vinden van een genetische link kan bijdragen aan dit maatschappelijke debat. “Feitelijke informatie over seksuele oriëntatie kan een vertekende en vijandige kijk op homo’s helpen voorkomen”, zoals Sanders schrijft in Psychological Medicine.

Wat ook altijd weer bovenkomt, is wat we gaan doen met dit soort genetische kennis. Is het straks mogelijk embryo’s te testen op hun voorkeur voor vrouwen of mannen? Volgens Sanders zal er nooit een test komen met genoeg voorspellende kracht die hiervoor gebruikt, of eigenlijk misbruikt, kan worden. Daarvoor is seksuele oriëntatie te complex. “De angst voor dit onwaarschijnlijke scenario moet verder onderzoek niet in de weg staan.”

Dit achtergrondartikel verscheen 4 december in het Eos Weekblad op tablet en op de website van Eos

Reageer