Marleen_Kamperman_Feb2014Chemicus Marleen Kamperman bestudeert de lijm die borstelwormen gebruiken om een eigen huisje te bouwen onder water. Dat ze als vrouw in de chemie een rolmodel is voor andere vrouwen, vindt dit nieuwe lid van de Jonge Akademie van de KNAW alleen maar heel leuk.

Vijf jaar geleden stond het onderzoek van Marleen Kamperman (Wageningen Universiteit) nog in het teken van de gekko, die dankzij miljoenen kleine haartjes op zijn kop over het plafond kan rennen. Haar groep ontwierp oppervlakken met dezelfde structuur als van de pootjes van gekko’s. Zulke kleefmaterialen die steeds weer opnieuw plakken, zouden bijvoorbeeld hartstikke handig zijn in alledaagse producten als sporttapes.

Sinds vorig jaar neemt Kamperman een ander diertje onder de loep dat een gaaf trucje kan: de borstelworm. Dit wormpje bouwt een eigen huisje onder water door stukjes schelp en steentjes aan elkaar te lijmen. Onder water kunnen lijmen, dat zien wetenschappers ook wel zitten.

Wij hebben geen lijm die werkt onder water. Wat is het geheim van de borstelworm?

“De worm maakt een mengsel van twee polymeren die goed in water oplosbaar zijn. Het uiteindelijke mengsel bevat water maar mengt er niet mee. Dat is ideaal, het spul plakt zonder dat het alle kanten opvliegt.”

In welke situaties is het handig om in een natte omgeving te lijmen?

“We hebben vooral biomedische toepassingen op het oog, zoals het lijmen van inwendige wonden. Bij operaties in de baarmoeder bijvoorbeeld, waar het hartstikke nat is, zie je dat baarmoederweefsel heel slecht te hechten is. Dat weefsel heelt uit zichzelf sowieso slecht. Het is veelbelovend om de wond te dichten door er een lijmmengsel op te spuiten. Maar dat is nu nog toekomstmuziek. Het gaat hier om een heel nieuw systeem en we moeten eerst kijken of het überhaupt lukt een goede lijm te maken.”

U bent ook actief in mentorprogramma’s voor jonge onderzoekers. Wat leert u hen?

“In het begin geef ik promovendi vooral veel directe aanwijzingen, zoals hoe ze hun onderzoek moeten plannen. Ook vind ik het belangrijk dat ze zelf leren bedenken welke methode ze nodig hebben. Dat doe je door goed om je heen te kijken en je te verdiepen in de literatuur. Door vakliteratuur te lezen leer je bovendien je eigen ideeën genereren. We hebben daarom ook een maandelijkse ‘journal club’, waarin we gezamenlijk wetenschappelijke literatuur kritisch bekijken.”

Ligt u ’s nachts weleens wakker van uw onderzoek?

“Niet als het gaat om het onderzoek zelf en of ik wel genoeg publiceer. Ik probeer me daar niet door te laten ophitsen. Maar als begeleider van jonge onderzoekers vraag ik me wel eens af of ik ze wel goed genoeg motiveer. Dan maak ik me zorgen of het lukt om hen tot een succesvolle thesis te brengen. Je moet iemand vrijlaten maar ondertussen wel zorgen dat het allemaal goed komt.”

Heeft u weleens een dieptepunt beleefd in uw onderzoek?

“Toen ik hier in Wageningen begon, was ik een van de eersten die aan de slag ging met het maken van nieuwe materialen. De meeste van mijn collega’s hebben meer ervaring met het onderzoeken van materialen, niet met de synthese. Ik begon aan een project om polymeren te maken, maar het heeft ontzettend lang geduurd om het lab op te zetten en voordat de apparatuur goed werkte. Uiteindelijk hebben we vanwege alle frustraties het project omgebogen en zijn we andere polymeren gaan maken.”

Wat wilt u met uw onderzoek bereiken voor toekomstige generaties?

“Ik vind het leuk om als vrouw in de chemie een rolmodel te zijn voor andere vrouwen. Om te laten zien dat een carrière in de wetenschap en een familie hebben best tegelijkertijd kan. Het is niet zozeer dat ik de barricade op wil om meer vrouwen in de wetenschap te krijgen, maar ondertussen heb ik onbewust toch veel vrouwelijke promovendi die het leuk vinden met mij te werken.”

Is het inderdaad vooral een mannenwereld in de chemie?

“Ja en nee. Ik weet nog wel toen ik in Groningen begon aan mijn studie scheikunde dat slechts 10% van de studenten meisjes waren. Dat viel me toen heel erg tegen. Ik had daar nooit over nagedacht. Maar het is nu al heel anders, bij mij in de groep lopen meer vrouwen dan mannen rond. Ik heb geen last van die mannenwereld. Natuurlijk, als je kleine kinderen hebt verandert dat wat met betrekking tot je werk, maar dat is voor mannen net zo goed het geval.”

Dit interview verscheen 16 januari 2015 op Kennislink

Reageer