7470705756_da0ab06eee_zTopsport, is dat gezond? Bij die vraag gaat het meestal over de impact op het lichaam. Over het geestelijk welzijn hoor je bijna nooit iets. Wat doet topsport met de psyche?

Het EK voetbal in Frankrijk, de Olympische Zomerspelen in Rio de Janeiro, het EK atletiek in Amsterdam en de Tour de France. Voor topsporters wordt het een drukke zomer. Ze krijgen te maken met strenge voedingsvoorschriften, wedstrijdspanning en druk van coaches, teamgenoten en fans. En dan is er ook nog het risico op blessures en het ongezouten commentaar van de media. Atleten moeten mentaal weerbaar zijn om in die bijzondere ‘werkomgeving’ te functioneren.

Soms gaat het mis. Leontien van Moorsel kreeg anorexia tijdens haar carrière als wielrenner. Turner Yuri van Gelder kampte met een cocaïneverslaving. Michael Boogerd belandde in een zwart gat na beëindiging van zijn wielercarrière. Voorbeelden van (oud)-topsporters met psychische problemen zijn snel genoeg gevonden. Zijn dit slechts breed uitgemeten incidenten? Onder de rest van de bevolking komen psychische problemen ook voor. Hebben atleten er vaker mee te maken?

Eetstoornissen

Begin dit jaar namen Australische onderzoekers de mentale gezondheid van topsporters onder de loep in een systematische studie, waarin ze al het bewijs uit de literatuur bij elkaar veegden. Wat bleek? Depressies en angststoornissen komen onder topsporters even vaak voor als onder de rest van de bevolking. Een traumatische gebeurtenis kan bij iedereen het psychisch welzijn onder druk zetten. Bij een sporter is die gebeurtenis bijvoorbeeld een ernstige blessure, bij iemand anders langdurige werkloosheid.

Er kwamen ook verschillen bovendrijven. Atleten zijn kwetsbaarder voor mentale gezondheidsproblemen als middelenmisbruik, stress en eetstoornissen. Deze mentale risico’s verdienen meer aandacht, vindt sportpsycholoog en onderzoeker aan de Vrije Universiteit Amsterdam Vana Hutter.

“Naar schatting komen eetstoornissen onder atleten anderhalf tot twee keer zo veel voor”, vertelt ze in een van de lezingen die de VU organiseerde naar aanloop naar het EK Atletiek deze zomer in Amsterdam. “Je ziet het vooral in takken van sport waar een gewichtsklasse geldt, in esthetische sporten zoals turnen en in sporten waar het een prestatievoordeel oplevert om licht te zijn, zoals bij wielrennen.” Net als in de doorsnee bevolking zijn het vooral vrouwen die kwetsbaar zijn, al komt het bij mannen ook voor. “Onder mannelijke topsporters komt een eetstoornis zestien keer zo vaak als onder ‘gewone’ mannen”, aldus Hutter.

Mentale medicatie

Er is weinig bekend over de werking van psychofarmaca in atleten. Grote systematische studies ontbreken. Sporters zijn terughoudend om middelen als antidepressiva, angstremmers, ADHD-medicatie, kalmeringsmiddelen en antipsychotica te gebruiken. Hoe zal dat hun prestatie beïnvloeden? Een paar honderdste van een seconde verliezen op de honderd meter sprint kan het verschil zijn tussen winnen en verliezen. Zulke minieme verschillen in prestaties zijn lastig op te pikken in onderzoek. Daarnaast staan topsporters niet te springen om aan studies mee te doen. De kans is te groot dat een medicijn negatief uitpakt voor hun prestaties.

Lijf versus psyche

Ook werd uit het onderzoek van de Australiërs duidelijk dat maar weinig studies naar psychisch welzijn van sporters aan de kwaliteitseisen voldoen. Onderzoeken waarin atleten behandeld worden of medicatie krijgen voor hun problemen zijn er bijna niet (zie kader ‘mentale mediciatie’).

De impact van topsport op spieren, botten, pezen, afweersysteem, hart, longen is een stuk beter beschreven dan de effecten op het psychisch welzijn. Voor het lichaam is topsport heus niet zo slecht. Het kan zelfs gezond zijn, zegt hoogleraar Klinische Sportgeneeskunde Frank Backx aan het UMC Utrecht tijdens de VU-lezingen. “Mits atleten geen doping gebruiken, de trainingsbelasting is afgesteld op het individu en er genoeg aandacht is voor herstel”, aldus Backx.

Topsport doet ook een hoop goeds voor de geest. Atleten hebben betere schoolprestaties en sociale vaardigheden, meer zelfvertrouwen, toewijding en focus, en het vermogen om zich te concentreren en om te gaan met druk.

Of ze die psychologische kenmerken al vanaf het begin bezitten, of juist verwerven door het beoefenen van sport, blijft gissen. ‘Sports do not build character, they reveal it’,schreef de invloedrijke Amerikaanse sportjournalst Heywood Hale Broun, die het duidelijk op dat eerste gooit. Zelf schrijven atleten hun discipline en focus toe aan sportervaringen die tijdens het leven zijn opgedaan.

Perfectionisme

Het is overigens niet vanzelfsprekend dat sportvaardigheden automatisch van nut zijn bij activiteiten buiten de topsport. Iemand moet zich eerst bewust worden van die vaardigheden en daarna kijken waar ze te gebruiken zijn, zegt Hutter later over de telefoon. Die reflectie is belangrijk, aangezien carrièrebeëindiging kan uitmonden in een crisis. De achteruitgang van prestaties door ouderdom is zelfs een berucht moment waarop sporters aan de doping gaan. Hutter: “Atleten verliezen bij het beëindigen van hun carrière hun identiteit, aandacht, training, actie, structuur, sociaal netwerk en zingeving. Daarom zijn er programma’s waarin sporters die ermee stoppen leren hun vaardigheden elders in te zetten.”

Een andere bedreiging voor de mentale gezondheid is perfectionisme. Hutter: “Mensen met een ongezonde vorm van perfectionisme lopen bijvoorbeeld risico op een sporters-burnout, wat zich onder meer kenmerkt door emotionele en fysieke uitputting en het gevoel dat je niet (meer) bekwaam bent in je sport.”

Hoe pik je de risicogevallen eruit? Dat is een belangrijke taak voor de coaches; zij moeten letten op gedrag of gesprekken die wijzen op perfectionisme. Vooral wanneer perfectionisme gericht is op de verwachting van anderen geeft dit mogelijk problemen. “Het is een hardnekkige persoonlijkheidstrek die niet alleen in de sport doorwerkt, maar op alle aspecten van het leven”, aldus Hutter. “Het is moeilijk af te leren. Je kunt sporters alleen leren er beter mee om te gaan.”

Aan de bel trekken

Hutter ziet dat er in de praktijk steeds meer belangstelling is voor het psychisch welzijn van topsporters. Atleten doen mee aan mentale training, sportpsychologen worden vaker ingeschakeld en trainers houden rekening met mogelijke problemen. We moeten er wel voor waken het probleem niet groter te maken dan het is, vindt ze. Topsporters hebben weleens psychische klachten, het zijn geen supermensen. Atleten kunnen bij een heftige gebeurtenis, zoals een serieuze blessure of beëindiging van hun carrière, net als andere mensen ook in de put raken. “We moeten het niet groter maken dan het is, maar er wel degelijk oog voor hebben dat ook (top)sporters mentale problemen kunnen hebben.” Het grootste struikelblok is dat stigma sporters verhindert hulp te zoeken, omdat ze niet als zwak te boek willen staan.

Bewegen als antidepressivum

Trainen op matig intensief niveau werkt als antidepressivum. Er zijn meerdere theorieën over dat fenomeen. Eentje stelt dat je door de ritmische buikademhaling, bijvoorbeeld tijdens een rondje rennen, weer tot jezelf komt. Een andere is de endorfinetheorie. Endorfines zijn eiwitten met pijnstillende eigenschappen die de hersenen aanmaken tijdens inspanning. Waarom depressie dan voorkomt onder topsporters, die aan de lopende band trainen? Volgens hoogleraar Frank Backx van het UMCU slaat het positieve effect van beweging een keer om, bijvoorbeeld als atleten moeten omgaan met grote teleurstelling en tegenslagen. Wanneer die omslag gebeurt is niet bekend.

Bronnen:

  • Rice, S. e.a., The Mental Health of Elite Athletes: A Narrative Systematic Review, Sports Medicine, online op 20 februari 2016. DOI: 10.1007/s40279-016-0492-2
  • Reardon, C.L. en R. Factor, Sport Psychiatry: A Systematic Review of Diagnosis and Medical Treatment of Mental Illness in Athletes, Sports Medicine, online op 23 september 2012. DOI:10.2165/11536580-000000000-00000

Credits afbeelding: Flickr/JD Lasica via CC BY-NC 2.0

    Dit achtergrondartikel verscheen 21 juni 2016 op NEMO Kennislink

    Reageer