3365337619_1cf48245f2_zBen jij een duurloper of kom je als sprinter beter tot je recht? Het antwoord ligt besloten in je genen.

Het trainingseffect van een stevige work-out is niet voor iedereen hetzelfde; hoe je lichaam op een training reageert is genetisch bepaald. Het zogenoemde ACE-gen dat dit mede determineert, dient zich in korte of lange varianten aan en erf je van je ouders. Krijg je van zowel je vader als moeder een lange variant, dan heb je als hardloper op de lange afstand geluk. Deze genendragers boeken bij intensieve inspanning sneller vooruitgang dan mensen met twee korte ACE-genen. Dit ontdekte bewegingswetenschapper Sander van Ginkel onlangs tijdens zijn promotieonderzoek aan de Vrije Universiteit Amsterdam en Manchester Metropolitan University.

Het vermoeden is dat lopers met twee lange ACE-versies rond hun getrainde spieren meer haarvaten aanmaken – dit zijn de kleinste bloedvaten in het lichaam die doordringen tot individuele cellen om ze van zuurstof en voedingsstoffen te voorzien. Hoe beter spiervezels doorbloed zijn, hoe meer zuurstof er binnenkomt en hoe langer de spier kan blijven samentrekken zonder vermoeid te raken.

Mensen met uitsluitend lange ACE-genen mogen dan meer haarvaten aanmaken waardoor hun prestaties sneller verbeteren, Van Ginkel heeft wel een nuancering: ‘Voor iedereen geldt: hoe meer je spieren op uithoudingsvermogen traint, hoe meer haarvaten je krijgt.’ Mensen met de twee korte versies van het gen presteren wel weer beter in sporten waarin sprints of korte krachtexplosies nodig zijn. Sporters met één lange en één korte variant zitten ergens in het midden, al lijken ze in hun fysieke prestaties meer op sporters met twee korte ACE-versies.

Of duurvermogen of spierkracht

Het ACE-gen is het eerste gen waarvan onderzoekers ontdekten dat het samenhangt met fysieke prestaties. Het gen bevat de genetische code voor de bouw van een eiwit dat betrokken is bij het regelen van de bloeddruk. In 1998 ontdekten Britse fysiologen daarbij dat dit gen ook betrokken is bij het uithoudingsvermogen van spieren. Ruwweg een kwart van de mensen bezit twee lange versies, de helft heeft een lange en een korte versie, en een kwart heeft twee korte versies.

‘Neem een steekproef onder marathonlopers of andere duursporters en je ziet dat zij vaak twee lange ACE-versies hebben. Bij sprinters en krachtsporters komt twee korte varianten vaker voor,’ weet Van Ginkel. ‘Als je een stukje uit de spier wegneemt van een duursporter, zie je smalle vezels met daaromheen veel kleine bloedvaatjes. In de spier van een krachtsporter zijn de vezels over het algemeen dik, met weinig bloedvaatjes.’ Voor een krachtpatser is het derhalve lastiger om zuurstof diep de spier binnen te loodsen.

Een combinatie van dikke vezels en veel bloedvaatjes is zeldzaam. Volgens Van Ginkel is het dan ook het beste om een keuze in de trainingswijze te maken: je traint je aerobe vermogen om het lopen lang vol te houden, of het anaerobe vermogen voor de korte sprints. ‘Het is heel moeilijk om goed te trainen voor een sport waar je zowel uithoudingsvermogen als kracht voor nodig hebt. Duurtrainen gaat ten koste van sprintcapaciteit en andersom.’

Hoewel de lange ACE-variant je misschien meer aanleg voor uithoudingsvermogen geeft, moeten we de invloed van één gen ook weer niet overschatten. In totaal is van zo’n negentig genen bekend dat ze doorwerken in fysieke prestaties. Deze ‘sportgenen’ coderen voor eiwitten die biologische processen aansturen – zoals de snelheid waarmee spieren aanspannen – de elasticiteit van de pezen, de hoeveelheid zuurstof in het bloed of het punt waarop we last krijgen van verzuring. Bij elke eigenschap zijn een groot aantal genen betrokken. Wetenschappers proberen de exacte genetische profielen in kaart te brengen die bijdragen aan sportprestaties. Het idee is dat zo’n profiel artsen en coaches kan helpen om mensen met een genetische aanleg voor topsport te herkennen en te begeleiden.

Zwart-wit zal dat nooit worden. ‘Het zou zomaar kunnen dat iemand met twee korte ACE-varianten de marathon wint,’ zegt Van Ginkel. Dan heb je waarschijnlijk geluk met een aantal andere belangrijke sportgenen. Bovendien vormt het DNA niet het hele plaatje. Hoe goed je bent als atleet is naar schatting voor 66 procent erfelijk, berekenden onderzoekers in 2007. De rest is effectief trainen en mentaliteit.

De kracht van de herhaling, hetgeen effectief trainingswerk is, moet dus niet worden onderschat. Om te zorgen dat de veelheid aan bloedvaatjes behouden blijft, moet je blijven trainen. ‘Een trainingseffect houdt een week of zes aan, daarna gaat je prestatie achteruit,’ legt Van Ginkel uit. Gelukkig heeft het lichaam wel een geheugen voor inspanning. Stel een beginnende loper een jaar traint om binnen het uur de 10 kilometer te volbrengen, waarna deze persoon een paar maanden stopt met trainen. Op het moment dat er weer met lopen wordt begonnen, is het uithoudingsvermogen terug naar het niveau van de eerste training. Het verschil is wel dat het hierna slechts zes maanden kost om dezelfde prestatie neer te kunnen zetten. ‘Getraind zijn zit hem niet alleen in spierkracht en het aantal bloedvaten, maar ook in coördinatie en aansturing van de spieren door de hersenen,’ aldus Van Ginkel. ‘Spierkracht en bloedvaatjes verdwijnen snel, maar als je eenmaal coördinatie hebt ontwikkeld onthouden je hersenen dat.’

Hoe zit het eigenlijk met de bewegingswetenschapper zelf? Wat weet hij over zijn eigen sport-DNA? Van Ginkel deed vroeger veel aan schaatsen. ‘s Winters schaatst hij nog steeds, ‘s zomers verruilt hij de schaatsen voor hardloopschoenen. Je zou dus zeggen dat hij een duursporter is… ‘Ik heb twee korte ACE-versies,’ zegt Van Ginkel desgevraagd. ‘Toch wel een verrassing ja – al is schaatsen een sport die eigenlijk het midden houdt tussen duur en kracht.’

Dit artikel verscheen in 2016 in het juninummer van Runner’s World. 

Credits afbeelding: Flickr/brett lohmeyer via CC BY 2.0

    Reageer